Memorie van toelichting
WET
van 8 april 1992, houdende wijziging van de Grondwet van de Republiek Suriname.
MEMORIE VAN TOELICHTING
1. Algemeen
Nog voordat het Voorontwerp van de Grondwet ter goedkeuring bij
referendum aan het Surinaamse volk werd voorgelegd (hetgeen op 30 september
1987 plaatsvond), waren er – zowel vanuit politieke partijen als vanuit
maatschappelijke organisaties – ernstige inhoudelijke bedenkingen gemaakt tegen
bepaalde artikelen ervan, met name tegen die bepalingen, welke betrekking
hebben op de positie en de rol van het leger, waaraan ook politieke functies
zijn toegekend..
Evenwel werd de Grondwet – ondanks haar gedeeltelijk tekortschieten, niet
alleen in materieel maar ook in formeel opzicht – toch met overweldigende
meerderheid geaccepteerd, teneinde het ingezette herdemocratiseringsproces niet
te stagneren en het volk de gelegenheid te bieden door middel van vrije en
geheime verkiezingen zijn vertegenwoordigers aan te wijzen. Wel heeft het in de
bedoeling gelegen, om na het aantreden van de Regering in 1988 een wijziging
van de Grondwet tot stand te brengen. Maar door diverse omstandigheden zijn de
initiatieven tot de realisatie van deze in het vooruitzicht gestelde wijziging
niet verwezenlijkt.
Intussen is, als gevolg van de gebeurtenissen op 24 december 1990, de
kritiek van de bevolking op sommige gedeelten van de Grondwet toegenomen.
Daarom is het noodzakelijk om nu, na de verkeizingen van 25 mei 1991, de Grondwet
in dier voege te wijzigen, dat het leger niet langer andere dan de in een
democratische rechtsstaat normale militaire taken en functies heeft.
Behalve de wijziging van die artikelen, welke op taak en bevoegheden van
het Nationaal Leger – en wat daarmee samenhangt – betrekking hebben, zijn er
ook andere belangrijke inhoudelijke wijzigingen voorgesteld, welke strekken tot
opheffing van enkele knelpunten en onduidelijkheden, die bij de practische
toepassing van de Grondwet aan het licht zijn gekomen.
Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt, om wijzigingen in diverse
artikelen aan te brengen, teneinde geconstateerde juridisch-systematische,
technisch-juridische en grammaticale onvolkomenheden te corrigeren, hetgeen
echter – gelet op de urgentie van de Grondwets- wijziging – zeker niet
uitputtend kan worden genoemd.
2. Het Nationaal Leger
In de Grondwet zoals die in 1987 werd goedgekeurd, is aan het Nationaal
Leger – een “Gewapende Macht”, zijnde “de militaire voorhoede van het volk van Suriname” – niet alleen de taak
van “verdediging van de souvereiniteit en zelfstandigheid” van de Republiek
opgedragen, maar ook “het beschermen van de hoogste rechten en vrijheden van
land en volk met het dienen van rechtsorde, vrede en veiligheid” en het arbeiden
“aan de nationale opbouw en de bevrijding van de natie”(artikel 177). Leiding
aan deze taken wordt gegeven door het Militair Gezag, “het vertegenwoordigend
orgaan van het Natinaal Leger”, hetwel ook tot taak heeft “de voorwaarden te
garanderen, waardoor het Surinaamse volk een vreedzame overgang naar een
democratische en sociaal rechtvaardige maatschappij kan realiseren en
consolideren”(artikel 178). En voorts kan het Surinaamse volk, in buitengewone
omstandigheden, “onder leiding van het Nationaal Leger middels
verdedigingsstructuren op directe wijze participeren in de verdediging van het
land”(artikel 180 lid 8).
Dat aan het leger staatsrechtelijk erkende politieke functies zijn
opgedragen, verdraagt zich echter niet met de functionering van een democratische
rechtsstaat, waarvan de grondslagen in de Grondwet zijn vastgelegd, weshalve
dergelijke bepalingen niet langer kunnen worden gehandhaafd. Voorgesteld is dan
ook deze artikelen te schrappen(zie Artikel IV sub B en sub D). Ter voorkoming
van elke ongewenste associatie is ook het opschrift “Gewapende Machten”
vervangen door “Leger en Politie” wat de normale taak van het leger
respectievelijk de politie is (zie Artikel IV sub A). Voorts is de militaire
dienstplicht, alsook de burgerdienstplicht (artikel 180 leden 3 en 4),
afhankelijk gesteld van het oordeel van De Nationale Assemblée op grond van
eventueel zich voordoende bijzondere omstandigheden (zie Artikel IV sub D).
Thans is (in artikel 177, nieuw)
duidelijk de taak van het leger omschreven, met de mogelijkheid om nodig
gebleken bijzondere taken bij wet vast te stellen (leden 1 en 2). De taak van
“bescherming van de gemeenschap tegen georganiseerd gewapend geweld” (lid 1 sub
b) houdt in, dat indien het bevoegd gezag zulks nodig oordeelt – delen van het
leger tegen dergelijk geweld, waardoor de inwendige veiligheid ernstig in
gevaar wordt gebracht, kunnen worden ingezet. Ook is nu ondubbelzinnig
vastgelegd (lid 3), dat het leger zijn taak uitoefent “onder
verantwoordelijkheid van en in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in
overeenstemming met de geldende rechtsregelen” (zie Artikel IV sub B).
Constitutioneel wordt in dit verband met “bevoegd gezag” bedoeld de middels
vrije en geheime verkiezingen democratisch tot stand gekomen Regering, met de geen
militairen zijnde President als Opperbevelhebber en Minister van Defensie als
politiek verantwoordelijke organen.
Een analoge regeling is gegeven voor
de politie (in artikel 178 nieuw), waaraan – naast de normale taak van
handhaving van openbare orde en veiligheid en opsporing van strafbare feiten – bij wet ook bijzondere
taken kunnen worden opgedragen (leden 1 en 2).
Ook de politie
oefent haar taak uit “onder verantwoordelijkheid van en in ondergeschiktheid
aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen” (zie
Artikel IV sub C). In dit verband zijn de Minister van Justitie en Politie als
het politiek verantwoordelijk orgaan en de Procureur-Generaal als het technisch
verantwoordelijk orgaan het “bevoegd gezag”.
Voorts is uitdrukkelijk
vastgelegd(artikel 179 lid 1), dat militairen of ambtenaren van politie die lid
worden van één der volksvertegenwoordigende lichamen van rechtswege op
non-actief worden gesteld. In dit geval behouden betrokken ambtenaren hun
bezoldiging en de daarvoor in aanmerking komende emolumenten. Het wordt
algemeen nodig geacht om voor militairen of ambtenaren van politie de
uitoefening van enkele grondrechten bij wet aan regels en beperkingen en
onderwerpen(artikel 179 lid 2).
3. De Veiligheidsraad
style=’mso-tab-count:1′> In de Grondwet is bepaald, dat De
Nationale Assemblée een Nationale Veiligheidsraad instelt, “wanneer de daartoe
bevoegde organen besloten hebben tot het afkondigen van de staat van oorlog,
etc……..” (artikel 128). Maar niet in overeenstemming hiermee is het
bepaalde omtrent de samenstelling van de Veiligheidsraad (artikel 129), dat
ervan uitgaat dat er een Veiligheidsraad is.
Deze
tegenstrijdigheid is thans weggemaakt door te bepalen dat er een
Veiligheidsraad is, die echter zijn werkzaamheden pas kan aanvangen, nadat een
uitzonderingstoestand is afgekondigd (zie Artikel II sub O).
Vermits elke vorm van uitzonderingstoestand door de “bevoegde organen” moet
zijn afgekondigd – en deze zijn de Assemblée en de President (zie artikel 102
leden 1, 2 en 3) – kan de Veiligheidsraad niet eerder functioneren en van de
hem bij artikel 130 toegekende “speciale bevoegdheden” gebruik maken. De
storende herhaling, waarbij niet dezelfde formulering is gevolgd (zie artikelen
128 en 130), is thans weggemaakt door de betrekkelijke zinsnede in artikel 130,
onder verwijzing naar artikel 128, te schrappen. Voorts is bepaald, dat nadere
regels omtrent het uitoefenen van de bevoegdheden door de Veiligheidsraad en
het uitroepen van de nood- toestand (als in artikel 102 lid 3 bedoeld) bij wet
worden vastgesteld (zie Artikel II sub Q).
Wat de samenstelling van de
Veiligheidsraad betreft (artikel 129), kan het volgende worden opgemerkt. Het
is niet juist, dat de Voorzitter van De Nationale Assemblée er deel van
uitmaakt, daar de Assemblée juist toestemming tot het afkondigen van de
uitzonderingstoestand moet geven.
Voorts spreekt het
vanzelf, dat niet een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie en
Politie en een lid van de Raad van Ministers er zitting in moeten hebben, doch
de Minister van Justitie en Politie en de Minister van Defensie, alsook een
andere Minister, door de Raad van Ministers aan te wijzen, zulks afhankelijk
van de heersende bijzondere omstandigheid; ook niet twee vertegenwoordigers van
het Nationaal Leger en een vertegenwoordiger van het Korps Politie Suriname,
doch de Bevelhebber en de Korpschef (zie Artikel II sub P).
4. De Nationale Assemblée
style=’mso-tab-count:1′> Aangezien de Staatsraad het
staatsrechtelijk adviesorgaan van de Regering is, spreekt het vanzelf dat dit
college – waarin ook vertegenwoordigers van de vakbeweging en van de werk-
geversorganisatie zitting hebben – door de President moet worden gehoord.
Overigens staat het de President natuurlijk vrij, om zich ook door andere
maatschappelijke groeperingen en door andere instanties te laten informeren.
Ofschoon de bedoeling van de bepaling
van artikel 56 lid 2 voldoende duidelijk is, is ter voorkoming van elk misverstand in dit opzicht thans duidelijk
vastgelegd, dat verlenging van de zittingsperiode van vijf jaren slechts
mogelijk is bij wet, indien buitengewone omstandigheden het houden van een
verkiezing verhinderen (zie Artikel 1 sub B).
De in de praktijk met de toepassing
van de Grondwet opgedane ervaring heeft de behoefte aan een aantal andere
inhoudelijke wijzigingen met betrekking tot De Nationale Assemblée aan het
licht gebracht. Teneinde aan de gevoelde behoefte tegemoet te komen dan wel elk
misverstand omtrent het bepaalde uit te sluiten, is dan ook een aantal
wijzigingen voorgesteld, welke de volgende onderwerpen betreffen.
De bepaling, dat op de eerste
vergadering van de nieuw gekozen Assemblée de voorziter wordt bijgestaan “door
het op één na oudste lid in jaren als secretaris” (artikel 66, eerste lid) en
dat door deze vergadering “een secretaris van De Nationale Assemblée” wordt
gekozen(artikel 67 lid 1) mist elke practische betekenis, daar van oudsher deze
functie door de griffier wordt vervuld. Daarom zijn de genoemde artikelen
dienovereenkomstig gewijzigd (zie Artikel 1 sub D en sub E).
Ook is bepaald (artikel 68 lid 2, nieuw), dat een minister of onderminister
die tot lid van de Assemblée is gekozen, ten hoogste drie maanden na zijn
toelating als lid van de Assemblée beide ambten kan verenigen (zie Artikel 1
sub F), hiervoor is aansluiting gezocht bij het bepaalde in de Grondwet van
1975 (artikel 48 lid 3).
Over de bepalingen inzake het nemen
van besluiten door De Nationale Assemblée met gewone of met gekwalificeerde
meerderheid (artikel 71 lid 2 en 83 leden 2 en 3) heeft er recentelijk enige onduidelijkheid
bestaan. Thans is op duidelijke wijze geregeld, dat alle besluiten van de
Assemblée met gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen worden
genomen, tenzij uitdrukkelijk een 2/3 meerderheid is voorgeschreven (zie
Artikel 1 sub M). En bij mondeling stemmen is “hoofdelijke oproeping” niet
langer verplicht (zie artikel 1 sub N).
5. De Verenigde Volksvergadering
De ervaring, met de
toepassing van de bepalingen inzake de Verenigde Volksvergadering opgedaan,
heeft aan het licht gebracht dat het wenselijk is onduidelijkheden met
betrekking tot het karakter en het functioneren van de Volksvergadering weg te
maken, hetgeen in het onderhavige ontwerp is gedaan. Daarbij is ervan
uitgegaan, dat in de gevallen die hier nadere regelingen behoefden de
Volksvergadering staatsrechtelijk een vergadering is die in het verlengde van
de vergadering van de Assemblée ligt, en wel een vergadering van alle
volksvertegenwoordigende organen, derhalve van een groot aantal afzonderlijke
colleges, waarvan de leden bijeenkomen om (in derde stemming) te beslissen,
omdat de Assemblée geen besluit heeft kunnen nemen.
Imperatief is
voorgeschreven (artikel 181 lid 2), dat de Volksvergadering – zonder dat
daarvoor een besluit van de Assemblée vereist is – bijeenkomt voor de derde
stemming, nadat de Assemblée omtrent de aldaar aangegeven onderwerpen in twee
stemmingsronden geen besluit met 2/3 meerderheid van het grondwettelijk aantal
leden heeft kunnen nemen. Daarnaast is de mogelijkheid opengelaten ( artikel 71
lid 2 en 83 lid 3), dat de Assemblée met 2/3 meerderheid tot het houden van een
Volksvergadering besluit, indien zij zulks nodig acht.
De op het voorgaande
betrekking hebbende en daarmee samenhangende artikelen, zijn thans zodanig
geformuleerd dat onduidelijkheid en misverstand te dien aanzien uitgesloten
moeten worden geacht.
- in artikel 71 lid 2 is nu
explicietvastgelegd dat de Assemblée
met gekwalificeerde meerderheid tot het houden van een Volksvergadering kan
besluiten “ onverminderd het bepaalde in artikel 181 lid 2” (zie Artikel 1 sub
C);
- in artikel 83 lid 3, nieuw – waar
bepaald is voor welke besluiten van de Assemblée een 2/3 meerderheid van het
grondwettelijk aantal stemmen is vereist – is uiteraard ook het houden van een
Volksvergadering opgenomen met de vermelding “ behoudens het bepaalde in
artikel 181 lid 2” (zie Artikel 1 sub M);
- ook is nu bepaald, dat in het Reglement
van Orde voor De Nationale Assemblée tevens procedureregels voor de
Volksvergadering worden opgenomen (artikel 71 lid 3), en dat het
organiserenvan een Volksvergadering
(artikel 74 sub d, nieuw ) een taak van de Assemblée is (Zie Artikel 1 sub G en
sub J);
- voorts is artikel 181 lid 2 zodanig
gewijzigd, dat daarin nu duidelijk is bepaald, dat de Volksvergadering “ voor
de derde stemming” bijeenkomt omtrent de aldaar genoemde drie onderwerpen,
nadat de Assemblée in twee stemmingsronden niet heeft kunnen beslissen (zie
Artikel IV sub E);
- tenslotte is in artikel 181 lid 3,
nieuw, bepaald dat besluiten in de Volksvergadering met gewone meerderheid van
het aantal uitgebrachte stemmen worden genomen, terwijl het quorum gevormd
wordt door “ meer dan de helft van het totaal aantal in functie zijnde leden “ van de Assemblée, de Districtsraden
en Ressortraden (Zie Artikel IV sub E).
6. De Regering
Nu is expliciet vastgelegd (artikel 123 lid 2, nieuw), dat de ministers
verantwoording aan de President verschuldigd zijn ( zie Artikel II sub J). Tot
nu toe moest deze verhouding indirect worden afgeleid uit het bepaalde dat de
President – die verantwoording aan de Assemblée is verschuldigd (artikel 90 lid
2) – de ministers benoemt en ontslaat : (artikel 110 sub e); en vooral uit het
bepaalde, dat de onderminister verantwoording aan de President is verschuldigd,
“ onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister” (artikel 124, tweede
lid ). Ook is nu expliciet opgenomen (artikel 110 sub g, nieuw), dat de
President bevoegd is besluiten van de Raad van Ministers en van de Ministers te
schorsen ( zie Artikel II sub E).
7. De Staatsraad
In de Grondwet zijn aan de Staatsraad – een
orgaan, waarvan de leden niet gekozen zijn doch benoemd worden – naast
adviserende, ook beleidsbegeleidende, controlerende en uitvoerende bevoegdheden
toegekend, welke bezwaarlijk geacht kunnen worden in overeenstemming te zijn
met een slagvaardig functioneren van de Raad van Ministers en van de
Districtsraden, welke toch organen zijn die ( direct of indirect) middels vrije
en geheime verkiezingen tot stand zijn gekomen. Daarom is in het onderhavige
ontwerp een aantal wijzigingen opgenomen, welke de strekking hebben aan deze
verregaande bevoegdheden een eind te maken, opdat de Staatsraad zich volledig
aan zijn taken als staatsrechtelijk adviesorgaan van de Regering en de
President zal kunnen wijden.
De verstgaande
bevoegdheid van de Staatsraad is het schorsen van besluiten van de Raad van
Ministers en van niet algemeen bindende regels houdende besluiten van de lagere
organen – met name die van de Districtsraden – indien deze naar zijn oordeel in strijd zijn met de Grondwet, de wet
en het Regeringsprogramma (artikel 115 lid 1 sub b en 173 lid 1).
Aan de President is
het overgelaten, om binnen een maand een schorsingsbesluit van de Staatsraad al
dan niet te bekrachtigen (artikel 115 lid 2) ; bij bekrachtiging is de
President verplicht voor de publikatie hiervan in het Staatsblad zorg te dragen
(artikel 110 sub g).
En aan de Assemblee
is de bevoegdheid toegekend om een bindend besluit te nemen, indien de
Districtsraad zich niet met een schorsingsbesluit van de Staatsraad kan verenigen
(artikel 173 lid 2). Aan deze schorsingsbevoegdheid van de Staatsraad is thans
een eind gemaakt door vervallenverklaring van de daarvoor in aanmerking komende
bepalingen (zie Artikel II sub E, sub G en sub H en Artikel III sub J).
Wat de beleidsbegeleidende
en toezichthoudende bevoegdheden van de Staatsraad concreet inhouden, is
evenwel niet in de Grondwet geregeld; er staat slechts, dat de Staatsraad
bevoegd is tot “ het begeleiden van het staatsbestuur en het toezien op de
richtige uitvoering door de Regering van de besluiten van De Nationale
Assemblée (artikel 115 lid 1 sub a). Evenmin is duidelijk, welke inhoud moet
wordengegeven aan de uitvoerende
bevoegdheid van de Staatsraad: “ het zorgen voor de mobilisatie van het volk,
wanneer het nationaal belang zulks vereist” (artikel 115 lid 1 sub g). Voorts
is de Staatsraad bevoegd om, “ voor zover nodig, voorstellen van wet en
staatsbesluiten aan de Regering” te doen ( artikel 115 lid 1 sub f). In het
onderhavige ontwerp zijn deze bepalingen dan ook geschrapt (zie Artikel II sub
G).
Tenslotte is ook
artikel 185 vervallen verklaard (zie artikel V lid 1 sub q), vermits het daarin
bepaalde slechts tot aan de tweede zittingsperiode van de Assemblée heeft
gegolden en derhalve de nieuwe samenstelling – uitvoering gevende aan het
bepaalde in artikel 113 – door wijziging van de “ Wet Staatsraad” (S.B.1988
no.95) moet worden geregeld.
Het ligt in de
bedoeling dat in ieder geval de volgende groepen of organisaties in de
Staatsraad zitting zullen hebben:
- Vertegenwoordigers van de Vakbeweging;
- Vertegenwoordigers van het
Bedrijfsleven;
- Vertegenwoordigers van de in De
Nationale Assemblée participerende politieke partijen.
8. Het Constitutioneel Hof
In de Grondwet is voorzien in de instelling
van een Constitutioneel Hof, dat belast is met “de beoordeling van de grondwettigheid van wettelijke regelingen en
maatregelen” (artikel 144 lid 1).
Evenwel is er
nagelaten enige duidelijkheid in het karakter en de omvang van de bevoegdheden
van dit orgaan te verschaffen, maar is de regeling van “ de samenstelling,
taken en bevoegdheden van dit orgaan” geheel aan de wet overgelaten. Door deze
onduidelijkheid kon tot nu toe er niet toe worden overgegaan het
Constitutioneel Hof in te stellen en aan zijn bevoegdheden op staatsrechtelijk
verantwoorde wijze vorm en inhoud te geven.
Daarom is het wenselijk, dat in de Grondwet
zelf van dit belangrijke orgaan – waarvan de activiteit een inbreuk op het
grondwettelijk gehuldigde beginsel van onschendbaarheid van de wet betekent – de hoofdzaken omtrent
samenstelling en bevoegdheden worden vastgesteld en alleen een nadere
uitwerking daarvan aan de wet wordt overgelaten.
Binnen het
staatsrechtelijk bestel dat in de Grondwet is neergelegd, kunnen de
werkzaamheden van het Constitutioneel Hof enerzijds niet van wetgevende aard
zijn , daar wetgeving een gezamenlijke politieke activiteit van Assemblée en
Regering is (artikel 70), met de Assemblée als het hoogste orgaan van de Staat
(artikel 55 lid 2); maar anderzijds
evenmin van
rechtsprekende aard, daar deze justitiële activiteit voorbehouden is aan de
Rechterlijke Macht, met het Hof van Justitie als de hoogste met rechtspraak
belaste instantie (artikel 139).
Derhalve zal het
Constitutioneel Hof een onafhankelijk staatsrechtelijk toetsingsorgaan moeten
zijn, dat zich als zodanig noch met wetgeving noch met rechtspraak inlaat, doch
dat wel de bevoegdheid moet hebben om, bij geconstateerde strijdigheid met de
Grondwet, de wet of bepalingen daarvan onverbindend te verklaren, het aan de Wetgever overlatend om de gewraakte wet
of bepaling te wijzigen of in te trekken, en aan de rechter overlatend om in
concrete gevallen recht te spreken. Het een en ander is in het onderhavige
ontwerp (artikel 144, nieuw) in deze zin geregeld (zie Artikel III sub D).
Het Constitutioneel
Hof als juridisch toetsingsorgaan zal zich in de eerste plaats met de “(abstracte) normtoetsing” dienen bezig te houden : het toetsen van de
inhoud van wetten of gedeelten darvan op verenigbaarheid met bepalingen van de
Grondwet of van geldende verdragen en overeenkomsten met volkenrechtelijke
organisaties (artikel 144 lid 2 sub a). Vermits deze “materiële toetsing” in
strijd is met de bepaling, dat de wetten onschendbaar zijn (artikel 80 lid 2),
is een omissie in de Grondwet weggemaakt en is dit artikel dienovereenkomstig
aangepast (zie Artikel 1 sub K). De constitutionele toetsingsbevoegdheid houdt geen “formele toetsing” in : niet
nagegaan mag worden, of ten aanzien van totstandkoming van de wet de daarvoor
geldende procedure-voorschriften zijn nageleefd, aangezien deze bevoegdheid
alleen aan de Assemblee is voorbehouden.
In de tweede plaats is het wenselijk, dat aan het Constitutioneel Hof
ook de bevoegdheid tot “(concrete) casustoetsing” wordt toegekend: het
beoordelen, of besluiten van overheidsorganen wel verenigbaar zijn met één of meer der fundamentele rechten en
vrijheden van de mens ( de grondrechten, in Hoofdstuk V genoemd) ; derhalve het
functioneren als een “Hof voor Mensenrechten”, waaraan klachten over werkelijke
of vermeende schendingen van mensenrechten door overheidsorganen ter
beoordeling kunnen worden voorgelegd( artikel 144 lid 2 sub b). Dit
“individuele klachtrecht” is reeds in de Grondwet geregeld : de rechter is
namelijk bevoegd, indien hij in een concreet aan hem voorgelegd geval
toepassing van een bepaling van de wet strijdig oordeelt met één of meer der
grondrechten, de toepassing daarvan voor dat geval ongeoorloofd te verklaren
(artikel 137).
“Het verschil met de bevoegdheid van het Constitutioneel Hof is, dat
bij de door dit Hof geconstateerde strijdigheid de wettelijke bepaling of het
besluit van het betrokken overheidsorgaan wordt geacht onverbindend te zijn (
artikel 144 lid 3), dus ongeldig voor alle gevallen, terwijl de rechter de
toepasselijkheidvan de gewraakte
bepaling slechts voor dat speciale geval ongeoorloofd verklaart, zodat de
bepaling zelf verbindend blijft”.
Wat de samenstelling van het Constitutioneel Hof betreft, is – gelet op het staatsrechtelijk
karakter van dit orgaan – bepaald, dat de voorzitter en de vice-voorzitter en
de drie leden en de drie plaatsvervangende leden op voordracht van De Nationale
Assemblée door de President voor een periode van vijf jaren worden benoemd
(artikel 144 lid 1). Voor deze benoemingsprocedure is aansluiting gezocht,
enerzijds bij het daaromtrent bepaalde in de Grondwet van 1975 (artikel 139),
en anderzijds bij de bepalingen van de vigerende Grondwet ten aanzien van de
Rekenkamer, van welk onafhankelijk financieel controle- orgaan de voorzitter,
de leden en de plaatsvervangende leden eveneens op voordracht van De Nationale
Assemblée door de President voor een periode van vijf jaren worden benoemd
(artikel 150). Uiteraard moeten nadere regels met betrekking tot zowel de
samenstelling, de inrichting en de werkwijze van het Constitutioneel Hof als de rechtsgevolgen van beslissingen van
dit onafhankelijk constitutioneel toetsingsorgaan bij wet worden vastgesteld
(artikel 144 lid 4).
9. Overige Wijzigingen
Behalve de hiervoren
besproken inhoudelijke wijzigingen van de Grondwet, zijn daarin ook
anderenoodzakelijk gebleken of wenselijk geachte wijzigingen aangebracht:
een aantal wijzigingen is noodzakelijk,
vermits daarvoor in aanmerking komende artikelen in overeenstemming met de
inhoudelijke wijzigingen moeten worden aangepast;
voorts zijn sommige wijzigingen
noodzakelijk uit een oogpunt van juridische systematiek, opdat er geen
onduidelijkheid bij de interpretatie van bepaalde artikelen ontstaat;
andere wijzigingen zijn noodzakelijk,
om onduidelijke of minder juiste formuleringen – van juridisch – technische en
redactionele aard – weg te maken ;
ook zijn wetgevingstechnische onjuistheden gecorrigeerd – teneinde de
inhoud van de artikelen beter op elkaar af te stemmen – en zijn geen enkel
juridisch of ander nut dienende bepalingen geschrapt;
tenslotte zijn bepaalde taalkundige
onjuistheden of onduidelijkheden weggemaakt en ontsierende taalfouten
gecorrigeerd..
Vele van de
hiervoren bedoelde wijzigingen spreken voor zichzelf, zodat daarop niet nader
behoeft te worden ingegaan. Van enkele wijzigingen lijkt het wel wenselijk, dat
deze kort worden toegelicht:
het is systematisch gezien juister, dat
artikel 32 (“Rechten van ondernemers”) onder een aparte “Zesde Afdeling A”
wordt gebracht, daar dit onderwerp niet in de Zesde Afdeling thuishoort (zie
artikel V lid 1 sub f) : ook is het beter de artikelen 125 t/m 127 – die in de
Vierde Afdeling (“Onderministers”) zijn opgenomen – in een afzonderlijke Vijfde
Afdeling onder te brengen (zie Artikel II sub K); evenzo is het correcter, om
“Inwerkingtreding van de Staatsorganen” en “Bekrachtiging, Bekendmaking en
Inwerkingtreding” – die geen afzonderlijke hoofdstukken zijn als Derde en
Vierde Afdeling in Hoofdstuk XXVII “Overgangs- en Slotbepalingen “ onder te
brengen (zie Artikel V lid 1 sub p);
op een aantal plaatsen is er sprake van
afleggen van een “eed of belofte” (artikelen 65, 67,93,114,125); aangezien het
eerste deel van de formule geen “ belofte” doch een “verklaring” is, is nu
telkens “eed of verklaring en belofte” gebezigd (zie Artikel I sub C en sub E.
Artikel II sub B, sub F en sub M);
voor de uniformiteit is overal
“navolgende” vervangen door“volgende”
(vergelijk b.v. de artikelen 65 en 125 met de artikelen 93,114 etc); ook is
naar uniformiteit van spelling gestreefd (vergelijk b.v. de artikelen 6 sub f
en 48 lid 1 met de artikelen 5 lid 3, 39 lid 2, 48 lid 3, etc);
abusievelijk is in artikel 74
(uitvoerende taken van de Assemblée) niet vermeld: het benoemen, schorsen en
ontslaan van haar griffier (artikel 87 lid 1) ; het artikel is hiermee en met
twee andere onderdelen aangevuld (zie Artikel 1 sub J);
in artikel 80 lid 2 (onschendbaarheid
van de wet) is slechts een uitzonderingsgeval vermeld; thans zijn daarin ook de
andere twee (artikelen 106 en 144 lid 2) opgenomen (zie Artikel I sub K) ; ook
is artikel 150 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 74 sub b gebracht
(zie Artikel V lid 1 sub n);
in artikel 97 lid 1 is ten onrechte
vermeld : “ de voorzitter en de overige leden “ , aangezien de President zelf
voorzittervan de Staatsraad is en geen
lid (artikel 90 lid 1); deze onjuistheid is nu weggemaakt (zie Artikel II sub
C);
in artikel 54 lid 2 sub c is het woord
“plaatselijke “ geschrapt, daar dit aanleiding tot misverstand kan geven (zie
Artikel V lid 1 sub m); in artikel 170 lid 2 is abusievelijk “Staatsblad “
vermeld; dit is nu door “Advertentieblad” vervangen (zie Artikel III sub I);
artikel 176 is vervallen verklaard,
niet alleen omdat het onjuist is dat een regionale commissaris bij wet wordt
benoemd, maar ook omdat in de praktijk aan zodanige functionaris geen behoefte
bestaat (zie Artikel III sub K);
artikel 43 is nu anders geredigeerd
(zie artikel V lid 1 sub i),daar deze
bepaling vrijwel letterlijk in artikel 154 lid 1 voorkomt; in de artikelen 159 en 164 zijn overbodig
opgenomen woorden geschrapt (zie Artikel III sub F en sub G).
10. Slotopmerking
Gelijk uit het
voorgaande blijkt, is van de gelegenheid – dat uit principiële overwegingen de
Grondwet op een aantal fundamentele punten moet worden gewijzigd – gebruik
gemaakt om andere nodig gebleken of wenselijk geachte wijzigingen aan te
brengen.
Vermits hiervoren
een uitvoerige uiteenzetting van de voorgestelde wijzigingen – vooral die met
betrekking tot de staatsorganen – is gegeven, is van een artikelsgewijze
toelichting afgezien.
Bijgewerkt op :




























